Prehistorisch monument: de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt - st. Geertruid (vuursteenmijn)

De prehistorische vuursteenmijnen van Rijckholt - St. Geertruid

Prehistorisch monument: de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt - st. Geertruid (vuursteenmijn)

Sitemap  | English summary  Suzammenfassung        

 
Home > Geschiedenis  

 

 

Geschiedenis van de prehistorische vuursteenmijn

In 1881 ontdekte de Belgische onderzoeker (archeoloog) Marcel De Puydt (1855-1940) in het Savelsbos de vindplaats van de prehistorische vuursteenmijn Ryckholt-St. Geertruid.
Tijdens een treinreis van Visé (België) naar Maastricht merkte hij op dat het landschap aan de rechterzijde van de spoorlijn tussen Eysden en Gronsveld, de uitlopers van de heuvel, opdoemend uit de vallei van de Maas, een terrein vormden dat overeenkwam met dat van een aantal vindplaatsen van prehistorische materialen in de provincies Luik en Namen (België).
Hij besloot op onderzoek uit te gaan en vond op de velden van het plateau van St. Geertruid een groot aantal stukken vuursteen die door mensenhanden bewerkt waren.
In 1887 ontdekte hij in het bos, dat grensde aan de velden van het plateau van St. Geertruid, een ovaal komvormig terrein van 54 m. bij 37 m. dat ter dikte van 1-1,5 m. bedekt was met stukken vuursteen in diverse stadia van bewerking, alsmede zeer veel stukken vuursteen afslagen.

De schone grub, Groot Atelier, met locatie opgravingen v. Giffen (1923) en de opgravingen van 1964 door Waterbolk
overzicht gebied rond het groot-atelier : Met de schone grub, Groot Atelier, met locatie opgravingen v. Giffen (1923) en de opgravingen van 1964 door Waterbolk.

Hij was van mening dat hier een grote werkplaats had gelegen waar de ruwe vuursteen tot halffabrikaat of eindproduct werd bewerkt.
Dit terrein kreeg de naam: Grand Atelier De Puydt (later "Groot atelier"). 
Aan de rand van het 'Groot atelier' is een soort 'ravijn' die 'Schone Grub' wordt genoemd. Deze ravijn met een lengte van ongeveer 1200 m. loopt van Rijckholt naar Eckelrade. In deze ravijnwand is hier en daar vuursteen en krijt (kalk) te zien.

Marcel de Puydt zette, tot 1914 , met een aantal medewerkers van de universiteit te Luik, zijn opsporingen voort. Hij verzamelde een groot aantal oppervlaktevondsten, bestaande uit werktuigen van been, hertshoorn, vuurstenen hakken, messen, bijlen, krabbers, speerpunten e.d.

In 1886 en '87 liet Graaf René de Geloes, burgemeester van Eijsden en eigenaar van het terrein, enige onderzoeken verrichten, waarbij o.a. aanwezig waren Dr. Dubois, de latere hoogleraar in Amsterdam, en de geoloog Casimir Ubaghs uit Maastricht. Dubois tekende een gedetailleerde kaart van het gebied rond de vuursteenmijnen en de Schone Grub. De vondsten van Dr. Dubois werden ondergebracht in Teylers Museum te Haarlem.

Vooraanstaande geleerden uit België en Frankrijk brachten in die jaren een bezoek aan de vindplaatsen.
Van 1898  tot 1923 was Jean Servais, professor aan de Universiteit te Luik met zijn assistenten een regelmatige bezoeker aan de omgeving van Ryckholt. Zijn collectie oppervlakte vondsten is nu ondergebracht in het Curtius museum te Luik, samen met die van Marcel de Puydt.

In 1903 begon de Luikse hoogleraar J. Hamal-Nandrin (1868-1958)  zijn exploratie in het gebied van Rijckholt. Hij werd de man wiens naam onverbrekelijk aan deze prehistorische mijnbouw verbonden blijft. Gedurende meer dan 50 jaar, tot na zijn 85e verjaardag heeft hij gemiddeld 50 dagen per jaar veldwerk verricht in het gebied van het Savelsbos en ontelbare publicaties uitgegeven. Zijn enorme collectie is ondergebracht in het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen te Brussel.

De Schone grub in 1910 (het hakhout is gekapt...)
De Schone grub in 1910 (het hakhout is gekapt.

Zijn aandacht werd vooral gericht op de omgeving van het ravijn de "Schone Grub". In 1910 wist hij aan de oppervlakte een aantal schachten te lokaliseren. In 1914 kwam hij, gravende in de helling van het ravijn, in de ondergrondse werken terecht. Hiermee was onomstotelijk vastgesteld dat het delven van vuursteen had plaatsgevonden volgens de methode van ondergrondse winning. Na de eerste wereldoorlog zette hij zijn werk voort. Op 17 april 1923 vond hij op twee meter diepte  tussen een grote hoeveelheid vuurstenen werktuigen menselijke overblijfselen: stukken dijbeen, een gedeelte van een onderkaak en een schedel van een vrouw van 20-25 jaar. Op een andere plaats werden twee stukjes roodachtig aardewerk gevonden.

In 1953 rondde Hamal-Nandrin een periode af van vijftig jaar wetenschappelijk onderzoek.

Vanaf 1923 waren vooral de Nederlandse professor Dr. van Giffen (universiteit van Groningen; Biologisch-Archeologisch Instituut) en Dr. v.d. Sleen betrokken bij verder onderzoek.
Professor van Giffen verrichte enige opgravingen langs het ravijn de 'Schone Grub'.
Vooral professor van Giffen deed enige jaren achter elkaar onderzoeken en maakte een duidelijke situatiekaart waarop de diverse opgravingen werden aangetekend.

Professor Dr. van Giffen (midden) tijdens een bezoek aan de mijn tijdens de opgravingen in 1964-72.
(Cees Roos (l) en Frans Engelen (r)
professor Dr. van Giffen (midden) tijdens een bezoek aan de mijn tijdens de opgravingen in de jaren 60.


Dr. van Sleen stelde voornamelijk een onderzoek in naar het Groot Atelier. In de ringwal rond deze plaats werden een aantal proefsleuven gegraven. Op één punt kwamen overal korte vuursteenkernen voor, op een ander plek lange stukken, op een derde plaats stukken bijlen. Geen van de stukken vertoonde gebruiksslijtage. Het waren allen stukken afval van de fabricage en mislukte werkstukken. Hiermee werd bevestigd dat dat de vuursteen op een vast punt, de werkplaats, werd bewerkt en dat er voor iedere soort werktuig een apart stuk werkplaats had bestaan, specialisatie dus.

Op zoek naar de oorsprong van deze vuursteen vond Dr. van Sleen aan de rand van het atelier een kleine krijtontsluiting aan de voet van de helling: een verticale schacht van 4 m. diepte met aan de voet enige kleine galerijen (kamertjes). Tevens werden een 15 tal gebruikte vuurstenen hakken gevonden.

In 1925 werd bij voortgezet onderzoek door Prof. v. Giffen aan de rand van het 'Groot Atelier' een mijngangenstelsel ontdekt, die in 1965 door de werkgroep ook ondergronds werd aangetroffen.
Het materiaal van deze opgravingen uit 1925 werd aan de Universiteit van Groningen volledig geďnventariseerd.

Kalkpilaar in een galerij van de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt (© Staatsbosbeheer)Tussen 1928 en 1932 hebben de Franse paters Dominicanen, die toen te Rijckholt verbleven, op aandringen van de Luikse onderzoekers, op grootscheepse wijze aan de exploitatie deelgenomen, vooral langs het 'Schone Grub'. Ook tijdens dit werk werden schachten en galerijen vrijgemaakt. Ruim 100 hertshoornen werktuigen en ± 1200 vuurstenen hakken werden gevonden.
Een gedeelte van de verzameling kwam in Groningen terecht (Biologisch Archeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen) en werd met de vondsten van Prof. van Giffen gecatalogiseerd. Een ander deel van de vondsten  ging naar het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Tevens is een gedeelte van de collectie mee naar Frankrijk gegaan. De rest bleef in Rijckholt achter en is door gebrek aan belangstelling van de Nederlandse Dominicanen verloren gegaan.

Na deze activiteiten op grotere schaal bleef het gebied weer het werkterrein van Hamal-Nandrin en zijn medewerkers tot in 1953.
Daarna werd het stil in het Savelsbos.

In het voorjaar van 1964 startte de universiteit van Groningen (Biologisch-Archeologisch Instituut) een nieuw onderzoek onder leiding van professor Waterbolk. Op het bouwland van het 'Groot Atelier' legde hij een aantal verticale schachten bloot.
Dit schachtenveld  op een zo grote afstand van de vroegere opgravingen maakte duidelijk dat de vuursteenmijnbouw een veel grotere uitgestrektheid had gehad dan voorheen was aangenomen.
Ook langs de rand van het Groot Atelier werd een sleuf gemaakt, waarbij oude mijngangen werden aangetroffen.

ryckholt-boek NGV, afd. Limburg 1998Vanuit de afdeling Limburg van de Nederlandse Geologische Vereniging werd in datzelfde jaar een werkgroep in het leven geroepen om onder verantwoordelijkheid van professor Waterbolk dit onderzoek voort te zetten. Een groep van ongeveer 20 vrijwilligers ging onder leiding van W.M. Felder jarenlang (van 1964 tot 1972), wekelijks aan de slag in de vuursteenmijn. In 1979 kon de Werkgroep de grootste tot dan toe uitgevoerde en geconserveerde opgraving van prehistorische vuursteenmijnen overdragen aan de Staat der Nederlanden. Daarmee werd een uniek archeologisch museum tevens toegankelijk voor publiek. Tegelijkertijd werden aan het Limburgs Bodemarchief in Maastricht meer dan 15.000 vondsten (bijlen, hakken etc.) overgedragen.
(De collectie archeologie van het Bonnefantenmuseum is sinds enkele jaren niet meer opgesteld. Hieronder vallen ook de vondsten van Rijckholt. Hiermee is de collectie Rijckholt voorlopig niet bereikbaar voor bezoekers of geďnteresseerden )

Op 16 oktober 1998 verscheen het boek 'de Prehistorische Vuursteenmijnen van Ryckholt - St.Geertruid'. Het boek is uitgegeven onder verantwoordelijkheid van  de 'Werkgroep voor het Onderzoek van de Prehistorische Vuursteenmijnen', een werkgroep van de afdeling Limburg van de Nederlandse Geologische Vereniging.
ISBN:  90-801523-4-X

De afbeeldingen op deze pagina zijn met toestemming overgenomen uit:
Nederlandse Geologische Vereniging, Afd. Limburg. Werkgroep Prehistorische vuursteenmijnbouw. De prehistorische vuursteenmijnen van Ryckholt - St. Geertruid. 1998. ISBN 90-801523-4-X

 
 

Web-site gemaakt door Henk Engelen

Top

Revised: