Prehistorisch monument: de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt - st. Geertruid (vuursteenmijn)

De prehistorische vuursteenmijnen van Rijckholt - St. Geertruid

Prehistorisch monument: de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt - st. Geertruid (vuursteenmijn)

Sitemap  | English summary  Suzammenfassung        

 
Home > De opgravingen >De werkgroep  

 

 

De Werkgroep Prehistorische Vuursteenmijnbouw

Het einde van de opgravingen van Prof. Waterbolk was voor de heer W.M. Felder van het Geologisch Bureau te Heerlen en lid van de Nederlandse Geologische Vereniging afd. Limburg aanleiding om te trachten het onderzoek voort te zetten. Het plan ontstond om vanuit een sleuf bij het 'Groot Atelier' een ondergrondse horizontale galerij (tunnel) aan te leggen naar het ▒ 140 m. verder gelegen ontdekte schachtenveld (onder de archeologische supervisie van Prof. Waterbolk).

Vanuit de te graven galerij op het niveau van de prehistorische mijngangen zou het mijnveld over een totale breedte van 20 m. kunnen worden onderzocht.
De galerij (tunnel) zou dus dwars door het prehistorische mijnveld gegraven worden.

Vanuit de afdeling Limburg van de Nederlandse Geologische Vereniging werd in datzelfde jaar een werkgroep van ongeveer 20 vrijwilligers in het leven geroepen om onder verantwoordelijkheid van professor Waterbolk dit onderzoek voort te zetten. Bijna alle leden waren toen werkzaam bij de Nederlandse Steenkoolmijnen en bestond uit vrijwilligers met interesse in Geologie, Archeologie en de geschiedenis van de mijnbouw. De meeste leden hadden een jarenlange mijnbouwkundige ervaring.

Deze 'Werkgroep Prehistorische Vuursteenmijnbouw' ging onder leiding van W.M. Felder van 1964 tot 1972 wekelijks aan de slag in de vuursteenmijn.

Figuur: dwarsdoorsnede door de opgravingsgalerij en prehistorische mijngangen
dwarsdoorsnede van de opgravingsgang en prehistorische mijngangen te Rijckholt

De opgravingen: start 1964
Op 6 juni 1964 trad de Werkgroep Prehistorische Vuursteenmijnbouw voor het eerst aan voor de daadwerkelijke opgravingwerkzaamheden.
De leden hadden toen totaal geen idee van de duur, de omvang, de moeilijkheden en de geldelijke zorgen die hun te wachten stonden.
Terwijl een groep begon met het opruimen en beveiligen van de opgravingsleuf van Prof. Waterbolk, waren anderen bezig met metingen teneinde de juiste richting van de te drijven galerij te bepalen.

Nadat een afdak van hout was geconstrueerd ter beveiliging tegen afvallend materiaal uit de kalkwand, kon de galerij worden aangezet.
Bij het verwijderen van het dekmateriaal kwamen enige vuurstenen hakken en een hertshoorn te voorschijn.
Spoedig werden de eerste prehistorische mijngangetjes zichtbaar, smal, gedeeltelijk van een kunstmatige opvulling voorzien, gedeeltelijk ingestort.
Stutten was in de meeste gevallen noodzakelijk.
De galerij (nieuwe mijngang) werd aanvankelijk met pikhouwelen en zaag uigehakt.
Bij het leeghalen kwamen zeer veel gebruikte vuurstenen hakken aan het daglicht. Alle vondsten werden ingemeten en van nummers voorzien.

Voorbeeld aantekeningen en situatieschetsen vondsten:
Situatie schetsen en aantekeningen van vondsten in de prehistorische mijnen Situatie schetsen en aantekeningen van vondsten in de prehistorische mijnen Schrift met situatie schetsen en aantekeningen van vondsten in de prehistorische mijnen

Tijdens de opgraving werd nauwkeurig aantekening gehouden van de werkzaamheden, het inmeten van de vondsten en het tekenen van schetsplattegronden (zie de 3 afbeeldingen hierboven).
Alle gevonden artefacten werden ingemeten volgens een driehoeksmeting (o.,a. met hulp van meetpenningen, die bevestigd werden op meerdere plaatsen.

Het vrijgekomen materiaal uit de galerij en de gangetjes werd met kruiwagens naar buiten getransporteerd. Het werk werd uitgevoerd bij het licht van petroleumlampen.
Al snel werd de eerste schacht bereikt. In een schachtvulling werd voldoende houtskool gevonden om een monster samen te stellen voor een C-14 onderzoek. Het resultaat: 3150 v. Chr.

De resultaten van deze proefopgraving waren zo bemoedigend dat, in overleg met Prof. Waterbolk, besloten werd bij diverse instanties de goedkeuring aan te vragen voor een definitieve opgraving.
Aanvankelijk werden de werkzaamheden op de vrije zaterdagen verricht. Gezien de hinderlijke publieke belangstelling en rekening houdend met huiselijke omstandigheden werd besloten te werken gedurende de nacht van vrijdag op zaterdag.

Behalve de wekelijkse werknacht hadden een aantal leden nog neventaken als administratie en correspondentie, literatuurstudie, verzorgen en catalogiseren van vondsten, houden van lezingen, opmeten en maken van kaarten etc.
Er moest dus hard gewerkt worden en men kon slechts als lid van de Werkgroep worden toegelaten indien men minimaal 20 vrijdagnachten per jaar aanwezig was.

De opgravingen: 1965 de schedelDe schedel, gevonden in de mijn op 5 november 1965
Het jaar 1965 begon met het vervangen van de houten galerijondersteuning door stalen kappen van 1.60 m en stijlen van 1.60, geplaatst op 1 m afstand, met een beveiliging van dak en wanden met strippen plaatijzer zoals gebruikelijk in een normale mijngang.
Deze klus nam maar liefst 5 maanden in beslag.
Tevens werd er smalspoor aangelegd met lorries, voorzien van een laadbak. Hiermee kon gemakkelijker het loskomende materiaal uit de galerij en de prehistorische mijngangetjes naar buiten worden getransporteerd.
Een oude scooter zorgde voor de aandrijving van de oorspronkelijke handlier die de volle kiepkarren uit de mijn moesten hijsen.
De galerij had inmiddels een lengte van 18 m.

De grootste en meest spectaculaire vondst in 1965 was het aantreffen van een menselijke schedel aan het einde van een mijngangetje (op 5 november 1965). De schedel, waarvan de onderkaak ontbrak, lag in een holte in de vloer en bleek afkomstig te zijn van een ongeveer 40 jarige man. De oogkassen wezen naar de rechterwand van het mijngangetje, dat is ongeveer in westelijke richting. Dit betekent dat het aangezicht was afgewend van de mijnschacht en dus ook van degene die de schedel daar neerlegde. Verdere gebeente werden niet gevonden. Het mijngangetje was vrijwel geheel opgevuld met kalkbrokken hetgeen betekende dat de schedel hier werd geplaatst voordat de mijn werd opgevuld. De omvang van de vondst, uitsluitend de schedel en de wijze waarop deze is neergelegd wijst op een rituele schedelbegrafenis.
De schedel werd voor verder onderzoek overgedragen aan de Universiteit Groningen (Van Vark: hoogleraar fysische antropologie en De Wilde: hoogleraar anatomie).
Van Vark probeerde de schedel met behulp van fysisch-antropologische en statistische methoden in tijd te plaatsen. Tegenwoordig is deze 2D methode in opgebruik geraakt.
De ouderdom van de schedel werd in eerste instantie geschat op 5000 jaar. 
Echter, omdat in 1965 de techniek nog niet zover was om slechts met een gering monster van de schedel een
14C onderzoek te verrichten (zonder een groot deel van de schedel op te offeren) is dit onderzoek toen achterwege gelaten.
In 2004 is de schedel echter grondig onderzocht met behulp van de AMS (Accelerator mass spectrometry) techniek (een "verbeterde 14C methode), waarbij slechts enkele milligrammen koolstof nodig zijn. Dit onderzoek is verricht door  in het Archeozo÷logisch Laboratorium van het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) en zijn gedateerd door het Centrum voor Isotopen Onderzoek (CIO) van de Universiteit Groningen.
De gegevens van het onderzoek bewijzen onomstotelijk  dat de schedel afkomstig is van een man die leefde in de vroeg-moderne of zelfs moderne tijd. Gekalibreerd met een betrouwbaarheid van 95% is de Rijckholt man overleden tussen 1646 en 1803 (of zelfs na 1937!)
De belangrijkste vraag blijft nu: hoe is deze recente schedel op deze plek terecht gekomen? Via de mijnschacht kan de schedel hier niet terecht zijn gekomen (deze was al in het Neolithicum gevuld met mijnafval).
Er zijn slechts 2 mogelijkheden:
1. Of de schedel is op de een of andere manier in de moderne tijd in de mijn gevallen; EÚn van de suggesties: door een in "moderne" tijd gegraven schacht voor het winnen van mergel, of een proefschacht om te zien of er geschikte vuursteen te winnen was voor de geweervuurstenen-industrie (in de 18e en 19e eeuw). De schedel zou dan uit de vulling van deze schacht komen. Alleen verder onderzoek aan het oppervlak bij het schachtveld zou dan uitsluitsel kunnen geven.
2. Of hij is in de periode dat de opgravingen plaatsvonden in de mijn geplaatst (al of niet door een "insluiper").
Door herstelwerkzaamheden aan de hoofdgang werd er niet aan het front van de hoofdgang gewerkt van mei tot begin november 1965, toen na het hervatten van de werkzaamheden aan het front, de schedel werd gevonden. Helaas is er geen duidelijke conclusie te trekken over de herkomst van de schedel. Echter is nu wel duidelijk dat de schedel voor de geschiedenis van de vuursteenmijnbouw niet langer relevant is!

De schedel is na het onderzoek uit 2004 overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) Limburg (Maastricht)

Tijdens de werkzaamheden door de Werkgroep in de vuursteenmijnen zorgden vooral de dolines (geologische orgelpijp) voor veel vertragingen bij de aanleg van de mijngang. Zodra men tijdens het drijven van de galerij bij een doline kwam, dan liep deze geheel of gedeeltelijk leeg in de galerij. Dit was behoorlijk vervelend en werkte vertragend. Al het puin moest eerst weer geruimd worden en de doline gestut worden voordat er verder gewerkt kon worden aan de galerij. Daarnaast was het ook gevaarlijk (omdat er soms een lawine van puin binnenstroomde).

Naarmate het werk vorderde, kregen de leden van de werkgroep steeds meer respect voor de prehistorische mijnwerkers. De gangen en steunpilaren waren deskundig aangelegd. Alleen de beste kwaliteit vuursteen werd gedolven. De slechte plekken werden gebruikt als steunpilaar. Daar waar alleen goede kwaliteit vuursteen voorkwam werden de pilaren zo dun mogelijk gehouden.

Het opgravingsterrein
Nadat de opgraving goed op gang was gekomen, veranderde ook de omgeving van de opgraving (tijdelijk) drastisch. Het terrein rond de opgraving werd afgezet en kreeg het aanzien van een grote opslagplaats. Er verrezen een aantal keten voor de opslag van materialen, lichtaggregaten, compressor enz. Een heuse schaftkeet zorgde voor gezelligheid en warmte tijdens de pauzes.
Na verloop van tijd lag het opgravingsterrein vol met stutmaterialen, betonblokken enz. die hoog nodig waren voor de ondersteuning van de hoofdgang. Stapels kleinere stutmaterialen in alle formaten werden gebruikt voor het beveiligen van zwakke plaatsen in de prehistorische mijngangen.
Al deze materialen maakten het opgravingsterrein er niet fraaier op, maar waren noodzakelijk om de opgravingswerkzaamheden met succes voort te zetten.

Veel steun werd hierbij ondervonden van de gezamenlijke steenkolenmijnen in Zuid-Limburg die vrijwel alle zware stutmaterialen en transportband ter beschikking stelden.

De opgravingen: 1966 en verder
In 1966 kreeg de Werkgroep de beschikking over pneumatische hamers, hetgeen de werkzaamheden aan het front van de galerij aanzienlijk gemakkelijker maakte.
De ingang van de mijn werd met een vuurstenen muur bekleed.
De galerij (hoofdgang) bereikte inmiddels een lengte van 38 m.

In 1967 werd er begonnen met de aanleg van een transportband installatie (ter vervanging van de lier met lorrie). Deze transportband werd door de Staatsmijnen/DSM in bruikleen afgestaan.
Voor de aandrijving van de transportband werd een tractor gekocht (via een riemoverbrenging van het achterwiel werd een bruikbare aandrijving verkregen).
transportkarretje voor het leegmaken van de prehistorische mijngangen Door deze verdere vorm van mechanisatie konden alle deelnemers aan de opgravingen in de mijn worden tewerkgesteld, drie man bij het doordrijven van de hoofdgang (galerij), de anderen bij het leegmaken van de prehistorische mijngangetjes.
Voor het leegmaken van de mijngangetjes werd gebruik gemaakt van kleine karretjes die door middel van een touw tussen de hoofdgang (galerij) en het werkpunt werden bewogen (zie foto).
Eind 1967 was de hoofdgang al 76 m in lengte.

Eind 1968 was de hoofdgang al 106 m. Het aanvankelijke plan om bij 100 m te stoppen werd op verzoek van Prof. Waterbolk gewijzigd. Teneinde een beeld te krijgen van het einde van de mijnbouw zou de opgraving doorgaan tot ongeveer 140 m.

Op 31 mei 1972 werden de opgravingen gestopt.

 

De afgesloten (geconserveerde) mijntoegang te Rijckholt nu (2004). 
De afgesloten (geconserveerde) mijntoegang te Ryckholt nu (2004)

De conservering van de mijn: 1977 - 1978
Om de prehistorische vuursteenmijn ook voor de toekomst veilig te stellen werd er besloten tot conservering van de mijn.
Tijdens het IIe Internationale Vuursteensymposium (mei 1975) werd door de deelnemers een resolutie gestuurd aan de minister van CRM waarin de uitzonderlijke historische waarde van de vuursteenmijnen werd toegelicht. Dit resulteerde in een subsidie ter conservering van de hoofdgang waardoor het mogelijk zou worden om de vuursteenmijnen in lengte van jaren toegankelijk te maken voor het publiek.
In de prehistorische gangetjes werd een zone langs de hoofdgang (galerij) ondersteund met ijzer.
Het gesteente boven en naast de hoofdgang werd ge´mpregneerd met beton onder hoge druk. Door de ijzeren ondersteuning in de beton op te nemen werd niet alleen een vrij grote stevigheid bereikt, maar werd ook corrosie voorkomen.

Uiteindelijk is er nu een gedegen, iets kille betonnen gang ontstaan. Veel van de prehistorische gangetjes in de zijwand van de hoofdgang (galerij) werden afgesloten door een muur en door het beton.
De opengebleven gangetjes werden afgesloten door hekken.
Elektrische verlichting zorgt nu voor een overzichtelijk geheel.
Tijdens het 3e Internationaal Vuursteen Symposium (24-27 mei 1979) werd de geconserveerde mijn officieel geopend door de toenmalige Staatssecretaris G.C. Wallis-de Vries (Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk).

De vuursteenmijn is hiermee duurzaam geconserveerd.

Monument van beeldhouwer Ruud Ringers.
Monument van beeldhouwer Ruud Ringers

De unieke ontsluiting via de horizontale galerij (in plaats van verticale), gegraven dwars door de mijnkamers maakt deze mijnen tot een van de grootste opgravingen van vuursteenmijnen wereldwijd. De vuursteenmijnen van Rijckholt zijn daarom aangemerkt als archeologisch wereldmonument.

Bij de ingang van de opgraving staat een monument van beeldhouwer Ruud Ringers (naar een concept van Fons Horbach).
Uitleg: De ene hand houdt een klopsteen vast, de andere een vuurstenen hak.
Daarnaast liggen enkele vuursteenafslagen.
Er staat de volgende tekst op het monument: "Archeologisch monument prehistorische vuursteenmijn Savelsbosch DLG SBB ROB 1998"
DLG = Dienst Landelijk Gebied (voorheen: Ruilverkaveling); SBB = Staatsbosbeheer; ROB = Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek.

December 1993
In 1991 is de werkgroep, in samenwerking met Mw. M. de Grooth, conservatrice van het Bonnefantenmuseum Maastricht, begonnen om de wetenschappelijke rapporten over alle werkzaamheden rond de opgravingen af te ronden.
Deze rapporten, getiteld: "Rapportage opgravingen Ryckholt-St. Geertruid 1964-1972" bestaat uit 39 deelrapporten die, op 7 december 1993, met alle bijbehorende vondsten, originele registratieformulieren, tekeningen etc. zijn overgedragen aan de (Rijks) Begeleidingscommissie Vuursteenmijncomplex Ryckholt.
Rapportage en bijbehoren zijn in beheer bij het Provinciaal Depot Bodemvondsten te Maastricht.
Met deze rapporten zijn de wetenschappelijke rapportages over de opgravingen van de prehistorische vuursteenmijnen te Rijckholt voltooid.
Deze rapporten zijn niet gepubliceerd.

Oktober 1998
Op 16 oktober 1998 verscheen het boek 'de Prehistorische Vuursteenmijnen van Ryckholt - St.Geertruid'. Het boek is uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de 'Werkgroep voor het Onderzoek van de Prehistorische Vuursteenmijnen ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Afdeling Limburg der Nederlandse Geologische vereniging.

Excursies
Het beheer over de opgraving is overgedragen aan Staatsbosbeheer, die ook excursies naar de prehistorische vuursteenmijnen organiseert.
Zie voor excursiedata onderdeel excursies op deze site.

De afbeeldingen op deze pagina zijn met toestemming overgenomen uit:
Nederlandse Geologische Vereniging, Afd. Limburg. Werkgroep Prehistorische vuursteenmijnbouw. De prehistorische vuursteenmijnen van Ryckholt - St. Geertruid. 1998. ISBN 90-801523-4-X

 

 
 

Web-site gemaakt door Henk Engelen

Top

Revised: